|
Een gebrek aan beweging maakt mensen niet alleen extra ontvankelijk voor ME, het kan de chronische vermoeidheidsziekte ook langer in stand houden. Dat zegt prof. dr. G. Bleijenberg naar aanleiding van het Nijmeegs onderzoek waaruit blijkt dat kinderen die weinig bewegen later meer kans hebben de chronische vermoeidheidsziekte te krijgen. De bevindingen van de Nijmeegse onderzoekers – na een vergelijking van diverse studies naar ME – zijn gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift The Lancet. (Bron: de Gelderlander, 28 januari 2006)
Vanwege het risico dat een gebrek aan beweging voor hen inhoudt, is het volgens de Nijmeegse hoogleraar belangrijk dat mensen met ME actief blijven. Bleijenberg: „De ziekte van Pfeiffer gaat nogal eens vooraf aan de chronische vermoeidheidsziekte. Op zich begrijpelijk dat mensen het dan even rustiger aandoen. Duurt dit te lang, dan kan het ME instandhouden. Daarom is het belangrijk toch te gaan sporten of niet te lang thuis te blijven van het werk.“
Geen ziekte is de laatste twee decennia zozeer onderwerp van verhit debat als ME. Omdat er geen eenduidige oorzaak voor is aan te wijzen, twijfelen sommige wetenschappers zelfs aan het bestaan ervan.
ME is volgens Bleijenberg allesbehalve een nieuwe ziekte. „Uit literatuur blijkt dat de ziekte die we nu ME noemen ook veertig jaar geleden voorkwam. Vermoeidheid is al jaren de meest voorkomende reden voor mensen om naar de internist te gaan.“
ME-patiënten klagen over een aanhoudende en onverklaarbare vermoeidheid die hen ernstig belemmert in het dagelijkse leven. Driekwart van de ME-patiënten is vrouw. Dit is opmerkelijk omdat vermoeidheid door bijvoorbeeld spierziekte of kanker bij mannen en vrouwen gelijkelijk voorkomt. ME openbaart zich meestal tussen het 29ste en 35ste levensjaar. Driekwart van de patiënten geeft aan ziek te zijn geworden na een verkoudheid, griep of andere virusinfectie.
Volgens de Nijmeegse onderzoekers gaat ME zelden over zonder behandeling. Het meeste effect hebben cognitieve gedragstherapie (anders met de ziekte omgaan) en bewegingstherapie, stelt Bleijenberg. „Het kan goed zijn voor de patiënt om opvattingen te veranderen, zoals het idee dat het niet goed is voor het lichaam om te bewegen. Velen nemen ook aan dat je nooit meer van ME af komt, terwijl dit niet waar is.“
|